HEB JE VRAGEN OVER HET MATERIAAL?

Soms denk je: hoe moet dat nou? Of: wat moet ik met deze kaarten? Wij zeggen dat je vooral op je eigen ervaring en kennis moet vertrouwen. En daarnaast hebben we heel veel vragen en antwoorden op een rijtje gezet. Dat zal je vast helpen.

Hoeveel werkjes moet een kind doen?

Hier is geen duidelijk antwoord op te geven. Wel is het zo dat ieder kind iedere dag moet rekenen. Als een kind geboeid is en geconcentreerd aan een doel werkt kan het meerdere werkjes op een dag doen. Je begeleidt tijdens je rondgang en ziet zo goed of een kind meer aan kan. Ook stel je na ieder werkje vragen aan het kind zoals wat heb je geleerd, hoe ging het werk?

Welke functie hebben de sommenkaarten?

De sommenkaarten zijn om kale sommen in te oefenen. Hierbij wordt een beroep gedaan op de hersenen, je zet ze aan en richt je op een type som. De herhaling is belangrijk, stimuleer kinderen bijna dagelijks een sommenkaart te maken. Onderdeel van het maken van de kaart is het nakijken.

Hoe zet ik de rekenprenten in?

Een rekenprent gebruik je voor het reflectief gesprek. Nadat een kind aan doel gewerkt heeft gebruik je de rekenprent om te achterhalen of het kind werkelijk begrijpt wat het geleerd heeft en of het het geleerde kan toepassen. Je kunt de kaart voor een kind allen gebruiken, maar wij adviseren de rekenprent met een groepje kinderen te doen. Je legt halverwege een periode de rekenprent zonder tekstwolkjes neer en vraagt: wat valt er te rekenen op de prent? Kinderen zien vaak veel meer dan wat wij bedenken. Je hebt zelf de kaart met de tekstwolkjes, zo kun je in een oogopslag zien welke doelen aan bod komen. Als een kind iets aanwijst is het niet voldoende, je stelt verdiepingsvragen. Zo weet je of het kind het doel behaal heeft en door kan naar de volgend periode.

Hoe lang duurt een periode?

Een jaar wordt verdeeld in ongeveer 3 periodes. Zo lang staan de doelen die bij de periode horen centraal. Je start dus in groep 3 met periode 1, in groep 4 met periode 7, etc. je laatst de bakken die bij de periode horen bovenop de kast, zodat kinderen niet de hele tijd de bak uit de kast hoeven te pakken. De doelen die bij de periodes horen laat je teugkomen: je beidt af e t oe ene groepslesje aan, zorgt voor een Montessori Minute over het doel en brengt ze onder de aandacht. Zo kun je bv in ene periode waar romeinse cijfers aanbod komen dir ook koppelen aan je kosmische onderwerp. Als een kind de doelen beheerst gaat het door naar ene volgende periode. Als een kind sommige inhoudend nog moeilijk vindt herhaalt het deze uit de vorige periode. Zo stem je af op ieder kind.

Hoe weet een kind welk envelopje het moet hebben?

Vanuit de lijn van het kind: je noemt de doelen van een nieuwe periode, een kind zegt: daar wil ik mee werken. Dan kiest het uit het betreffende envelopje een kaart. En nog een. En nog een. Het kind werkt net zolang aan een doel tot hij deze helemaal begrijpt. Soms moet hij alle kaartjes doen, soms is hij na 5 kaartjes al klaar. Jij checkt gedurende je rondgang hoe de voortgang is en vraagt of het kind al kent, weet en nooit meer vergeet.
Vanuit de lijn van de leerkracht: soms bepaal jij dat een kind aan een bepaald doel moet werken. Dan zeg je: pak het envelopje waarop staat…

Wat doe ik met de leerkrachtboekjes?

We gaan ervan uit dat je eenmaal per week een aanbieding geeft aan de gehele heterogene groep. Het leerkrachtboekje geeft je handvatten voor de aanbieding. Je kunt letterlijk de tekst overnemen, of het als steun gebruiken om de juiste woorden te gebruiken. Je vindt er veel variaties en kunt met behulp van de signaleringen vaststellen of een kind het doel bereikt heeft.

Aan hoeveel doelen werkt het kind?

Een kind werkt vooral in een periode. Er wordt aan drie doelen tegelijk gewerkt. Dat verschilt wel per kind. En per doel. Of een kind aan 1, 2 of 3 doelen tegelijk werkt is afhankelijk van het kind en het type doel. Het ene kind heeft er baat bij zich alleen te focussen op een doel en oefent bijvoorbeeld alleen het vermenigvuldigen. Een doel als klokkijken alleen is niet voldoende, daar moet een tweede doel bij. Jij zorgt als leerkracht dat de doelen ‘onderhouden’ worden, door bijvoorbeeld een variatie aan te bieden (zie leerkrachtkaarten) of een Montessori Minute te doen. Daarnaast wordt er dagelijks geoefend met de sommenkaarten of de sommen uit het rekenkabinet.

Hoe gebruik ik het rekenkabinet?

Soms wordt er op een rekenkaartje verwezen naar bijvoorbeeld een 100 doosje of de klokstempels.  Dan pakt het kind het doosje uit het rekenkabinet. Daarnaast kun je de sommen gewoon gebruiken om dagelijks te oefenen. Pak een zakje, stop er blind 20 sommen in en ga lekker flitsen. De reflectievragen kun je gebruiken bij het gesprek met de rekenprenten.

Wat moet ik met de websites?

Onder het kopje kinderen vind je veel extra oefenstof. Sommige kinderen of leerkrachten vinden het fijn extra werkbladen te hebben. Gebruik ze vrijelijk. Gebruik ze vooral passend bij het doel waar het kind mee bezig is.

Moet ik lesjes met montessorimateriaal kunnen geven?

Als je op een montessorischool werkt kun je ook alle aanbiedingen met materiaal geven. Als je op een niet-montessorischool werkt maak je gebruik van de lijst aanbevolen materialen voor niet-montessorischolen. Je kunt de materiaalboeken bestellen bij Heutink of bij Reinders Oisterwijk.

Je signaleert dat iets niet goed gaat.

Een kind pakt bijvoorbeeld steeds hetzelfde werkje. Is het een vluchtwerkje of is het echt leren? Vraag waarom het elke keer die kaart pakt. Zeg doortastend: vandaag kies je een ander werkje. Of: kies vandaag uit het rekenkabinet.

 

Een kind heeft de werkjes wel gemaakt, maar beheerst het doel nog niet . Geef een gerichte aanbieding. Beperk de doelen. Zorg dat het kind echt maar een rekenvaardigheid oefent.

 

Een kind kiest steeds de dobbelstenen.

Geef een uitdagende aanbieding met ander materiaal.

Wie kiest de doelen: de leerkracht of het kind?

Leer kinderen het zelf te doen. Dus het kind kiest. En wij zeggen: het kind kiest samen met jou. Bij het ene kind stuur je wat meer dan bij het andere kind. En jij zorgt dat je overzicht houdt, per slot ben jij de professional.

Vraag: wat kan je goed? Als een kind bijvoorbeeld antwoord: optellen. Dan zeg je: laten we eens kijken of er een envelop is waarbij je nog meer leert over optellen. Je doet het voor, zoekt een passend doel en pakt de envelop. Vraag het kind het te openen en zeg: kies maar een kaart om mee te beginnen. Zorg dat je in je rondgang nogmaals langskomt. En morgen weer. En volgende week ook. Bevraag kinderen of wat ze leren. En hoe ze leren.

Hoe registreer ik?

Je registreert niet de werkjes, wel de doelen. Houd voor ogen dat je in een periode slechts 10 doelen hebt. Dus registreer vooral niet teveel. Je wilt weten wat het kind kan, en je gebruikt de extra tijd om aantekeningen te maken over de kwaliteit van het werk, de aanpak etc.

Als je de doelen in je periodeplan hebt opgenomen gebruik je de balansweken om met ieder kind een gesprek te voeren en te checken of het de nieuwe stof beheerst. Het is je toetsmoment. Je pakt bijvoorbeeld uit ieder envelopje een rekenkaart, enkele montessorimaterialen, enkele materialen uit het rekenkabinet en de reflectievragen. Je checkt altijd het memoriseren, geef dus veel sommen waar het kind snel een antwoord op moet geven. Vraag naar de rekenstrategie.

En werk je je registratie bij.

 

Er zijn diverse mogelijkheden voor een adequate registratie: geef het kind een doelenoverzicht. Als het kind aan een doel begint geeft het dit aan, als het afgerond/beheerst wordt kleur je het of noteer je de datum.

Gebruik de rekenprenten. Een kind kleurt het doel wat het beheerst in.

Gebruik de leerlijnen in Parnassys: daar staan alle doelen en werkjes in.

CONTACT

Vragen? Tips? Wij horen het graag!

Dat kan door een e-mail te sturen naar: info@ikwilrekenen.nl